title

Resultaten

 

In de AGEhIV Cohort Studie brengen we diverse bijkomende ziekten, oftewel comorbiditeiten, en risicofactoren daarvoor in kaart. Er zijn inmiddels verschillende resultaten bekend. We hebben onderzocht of de diverse comorbiditeiten vaker vóórkwamen tijdens het eerste studiebezoek onder mensen met hiv. Dit is ook apart bekeken voor verschillende typen comorbiditeiten en orgaan dysfunctie, namelijk voor hart- en vaatziekten, stijfheid van de grote bloedvaten, hoge bloeddruk, en botdichtheid. Ook is gekeken naar frailty en deelname aan de arbeidsmarkt.

 

 

Aan de neurologische substudie van AGEhIV hebben 103 deelnemers vanuit het AMC en 78 deelnemers vanuit de GGD meegedaan. Met de verzamelde gegevens hebben we gekeken naar het vóórkomen van geheugenstoornissen, de waarde van screenende geheugentesten in het voorspellen van geheugenstoornissen en afwijkingen aan het netvlies in de ogen. Andere analyses zijn nog in volle gang.

 

Vóórkomen van comorbiditeiten

Meerdere onderzoeken laten zien dat verschillende typen comorbiditeiten vaker dan verwacht vóórkomen onder hiv-positieve mensen. In de AGEhIV Cohort Studie doen we hier uitgebreid onderzoek naar. Het doel hiervan is in kaart te brengen hoe vaak deze comorbiditeiten vóórkomen, en of er een verschil is tussen mensen met en zonder hiv. Daarnaast zijn we geinteresseerd in welke factoren in verband staan met de kans op het ontwikkelen van verschillende comorbiditeiten.

Alle deelnemers hebben bij de eerste meting aangegeven of zij een bepaalde comorbiditeit hebben (bijvoorbeeld een hartinfarct, kanker of een herseninfarct). In het medisch dossier (van de hiv-positieve deelnemers), of door contact met de huisarts (van de hiv-negatieve deelnemers), is nagegaan van welke ziekten precies sprake is geweest. Met behulp van de bloeddrukmeting, longfunctiemeting en bloedonderzoek is de aanwezigheid van enkele aanvullende comorbiditeiten onderzocht, waaronder hoge bloeddruk, suikerziekte en verhoogd cholesterol.

Figuur 1

Figuur 1

Uit de analyse blijkt dat hiv-positieve deelnemers gemiddeld meer comorbiditeiten hebben dan hiv-negatieve deelnemers (zie Figuur 1). De comorbiditeiten die vaker voorkomen onder hiv-positieve deelnemers zijn hoge bloeddruk, hartinfarct, vernauwde bloedvaten van de benen of de buik, en verminderde nierfunctie (zie Figuur 2). Er zijn sterke aanwijzingen dat het hebben van een hiv-infectie een onafhankelijke voorspeller is voor het hebben van meer comorbiditeiten. Langdurige verminderde immuniteit (immuundeficientie, CD4 getal kleiner dan 200 cellen per milliliter bloed), een sterkere ontstekingsreactie in het bloed, en gebruik van hoge dosis van de hiv-remmer ritonavir (Norvir) in het verleden is geassocieerd met het hebben van meer comorbiditeiten.

Met behulp van de vervolg studiebezoeken hopen wij inzicht te krijgen of het verschil in aantal comorbiditeiten tussen hiv-positieve en hiv-negatieve deelnemers blijft bestaan of verder toeneemt, en welke risicofactoren daarmee in verband staan.

 

Figuur 2

Meer weten over dit onderwerp? Klik hier

Hart- en vaatziekten

Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat hart- en vaatziekten veel voorkomen onder mensen met hiv. In de AGEhIV Cohort Studie wordt hier uitgebreid onderzoek naar gedaan. Alle studiedeelnemers hebben in de vragenlijst aangegeven of zij een hartinfarct, herseninfarct, vernauwde bloedvaten in de benen of de buik, of pijn op de borst bij inspanning hebben (gehad). In het medisch dossier (van de hiv-positieve deelnemers), of door contact met de huisarts (van de hiv-negatieve deelnemers), is nagegaan van welke ziekten precies sprake is geweest.

HVZ graph

 

Uit de resultaten blijkt dat hiv-positieve deelnemers vaker één of meer van deze ziekten hebben doorgemaakt dan hiv-negatieve deelnemers (zie figuur). Er zijn sterke aanwijzingen dat hiv-positief zijn een onafhankelijke voorspeller is voor het (doorgemaakt) hebben van hart- en vaatziekten, los van bekende risicofactoren zoals roken. Langdurige immuundeficiëntie (een CD4 getal onder 350) is gerelateerd aan het hebben van hart- en vaatziekten. Daarnaast lijkt het langdurig gebruik van de hiv-remmer ritonavir (Norvir) in een (tegenwoordig niet meer voorgeschreven) hoge dosering (400 mg/dag) gerelateerd aan hart- en vaatziekten.

In de analyse is de rol van AGEs in het ontstaan van hart- en vaatziekten onderzocht. AGEs (advanced glycation endproducts) zijn versuikerde eiwitten, die zich op kunnen hopen in weefsels. Hogere leeftijd, roken en ontstekingsgerelateerde ziekten leiden tot een toename van de hoeveelheid AGEs. Hiv-positieve studiedeelnemers hebben gemiddeld een hogere AGE-waarde (2.4) dan hiv-negatieve studiedeelnemers (2.1). Uit de analyse blijkt dat de verhoogde AGE-waarde een deel van het vaker voorkomen van hart- en vaatziekten in de hiv-positieve groep lijkt te verklaren. Dit zou er op kunnen wijzen dat AGEs mogelijk een rol spelen in het ontstaan van hart- en vaatziekten in mensen met hiv.

Vaatstijfheid

Tijdens het AGEhIV studiespreekuur wordt bij alle deelnemers met de Arteriograaf de stijfheid van de grote lichaamsslagader (de aorta) gemeten. Deze meting lijkt erg op een bloeddrukmeting, en wordt verricht met een band om de bovenarm. Het verschil is dat de band meer wordt opgepompt dan bij een gewone bloeddrukmeting, waardoor de stroomsnelheid in de aorta kan worden geschat. Hoe stijver de aorta is, hoe sneller het bloed stroomt. Stijfheid van de aorta kan wijzen op schade in de vaatwand, zoals verbindweefseling en vetophoping (“aderverkalking”). Verhoogde vaatstijfheid is gerelateerd aan een verhoogd risico op hart- en vaatziekten.

In de studie onderzoeken wij of de stijfheid van de aorta verschilt tussen hiv-geïnfecteerde en hiv-ongeïnfecteerde deelnemers, en welke factoren samenhangen met een verhoogde stijfheid.

Uit de meetresultaten die zijn verkregen tijdens het eerste studiebezoek blijkt dat hiv-geïnfecteerde deelnemers gemiddeld een iets hogere stroomsnelheid (en dus hogere stijfheid) van de grote lichaamsslagader hebben, hoewel het verschil erg klein is: de stroomsnelheid is 7.9 meter per seconde in hiv-geïnfecteerde en 7.7 meter per seconde in hiv-ongeïnfecteerde deelnemers.

Door het blijven vervolgen van de vaatstijfheid van de aorta bij alle AGEhIV deelnemers hopen wij meer inzicht te krijgen in de factoren die samenhangen met toename van vaatstijfheid, en ook in de relatie tussen verhoogde stijfheid en het ontstaan van hart- en vaatziekten.

Uit de resultaten bleek ook dat het roken van sigaretten een belangrijke risicofactor voor een verhoogde vaatstijfheid is. Daarnaast hadden juist die hiv-geïnfecteerde mensen die in het verleden ernstige immuunstoornissen hebben gehad (een CD4 getal onder de 100 cellen per milliliter bloed) gemiddeld een verhoogde aorta stijfheid. Dit wijst er mogelijk op dat deze mensen een verhoogd risico op hart- en vaatziekten hebben.

Meer weten over dit onderwerp? Klik hier

Vaatstijfheid

Hoge bloeddruk

Hoge bloeddruk is een belangrijke risicofactor voor het ontwikkelen van hart- en vaatziekten. Tijdens ieder studiebezoek wordt bij alle deelnemers driemaal de bloeddruk gemeten en vragen we in de vragenlijst naar het gebruik van bloeddrukverlagende medicijnen. Op basis van deze informatie hebben we in kaart gebracht hoe vaak hoge bloeddruk vóórkomt, of het vóórkomen van hoge bloeddruk verschilt onder hiv-positieve en hiv-negatieve deelnemers en welke factoren samen hangen met het vóórkomen van een hoge bloeddruk.

Uit de analyse van de gegevens van het eerste studiebezoek blijkt dat een hoge bloeddruk vaker vóórkomt onder hiv-positieve deelnemers in het AGEhIV cohort (zie figuur).

Er zijn verschillende factoren die een rol spelen in het ontstaan van een hoge bloeddruk, waaronder roken, overmatig alcoholgebruik, familiaire aanleg, onvoldoende lichamelijke beweging, en overgewicht. Het vaker vóórkomen van hoge bloeddruk in de AGEhIV studie lijkt met name samen te hangen met een grotere middel-heup ratio bij hiv-positieve deelnemers. Dit zou gedeeltelijk het gevolg kunnen zijn van gebruik van anti-hiv medicatie in het verleden.

We zijn benieuwd of dit verschil in het voorkomen van hoge bloeddruk tussen hiv-positieve en hiv-negatieve deelnemers blijft bestaan bij analyse van de gegevens van vervolgstudiebezoeken.

Meer weten over dit onderwerp? Klik hier

Hypertensie II

Botdichtheid

Met een DEXA scan is bij alle deelnemers de botdichtheid bepaald in de onderste wervels (de lumbale wervelkolom) en het bovenste deel van het dijbeen, waarbij de dijbeenhals ook apart wordt bekeken. Uit de analyses van de meetresultaten van het eerste studiebezoek is gebleken dat osteoporose (een sterk verlaagde botdichtheid) en osteopenie (een licht verlaagde botdichtheid) meer voorkomen onder hiv-positieve deelnemers in het AGEhIV cohort (zie figuur). Osteoporose kan de kans op een botbreuk verhogen.

Twee belangrijke risicofactoren voor osteoporose zijn een laag lichaamsgewicht en het roken van sigaretten. Het lijkt erop dat het vaker voorkomen van osteoporose onder de hiv-positieve deelnemers voor een groot deel te verklaren is doordat een groter deel van hen rookt en zij gemiddeld een lager lichaamsgewicht hebben. Een groep die mogelijk extra risico loopt, zijn de hiv-geïnfecteerde mensen die ernstige hiv-ziekte (zoals AIDS) hebben doorgemaakt én een laag lichaamsgewicht hebben.

Wij zijn zeer benieuwd naar de meetresultaten van het tweede studiebezoek, waarmee wij hopen te onderzoeken of de verandering in botdichtheid over de tijd voor hiv-positieve en hiv-negatieve deelnemers verschillend is.

Meer weten over dit onderwerp? Klik hier

botdichtheid


Frailty

frailtyAlle studiedeelnemers beantwoorden tijdens het studiespreekuur vragen over ongewild gewichtsverlies. Ook wordt wordt de knijpkracht van de schrijfhand en de loopsnelheid gemeten. Samen wordt hieruit berekend of iemand “frail” is, of een voorstadium hiervan “pre-frail” of niet. In oudere mensen (van 65 jaar en ouder) is onderzocht dat frail zijn de kans op vallen, ziekenhuisopnames en overlijden verhoogt.

Uit de resultaten van het eerste studiebezoek blijkt dat hiv-geïnfecteerde studiedeelnemers vaker frail en pre-frail zijn (zie het staafdiagram). De relatie tussen hiv en frailty was onafhankelijk van andere factoren die gerelateerd zijn aan frailty. Naast hiv infectie waren oudere leeftijd, vrouw zijn, een chronische hepatitis C virus infectie, en depressieve symptomen onafhankelijk geassocieerd met frailty. De resultaten wijzen erop dat vooral het hebben van veel buikvet, en daarnaast weinig vet op de heupen sterk geassocieerd is met frailty. Dit laatste kan in hiv-geïnfecteerde mensen een uiting zijn van het lipodystrofie syndroom.

De precieze betekenis van frailty in hiv-geïnfecteeerde mensen, die vaak jonger zijn, is nog niet helemaal duidelijk. Wij hopen hierover tijdens het vervolg van de AGEhIV studie meer kennis te verkrijgen.

Meer weten over dit onderwerp? Klik hier

Deelname aan de arbeidsmarkt

Hoewel mensen met hiv steeds ouder worden, zijn er aanwijzingen dat er in deze groep eerder ouderdomsziekten optreden dan onder mensen van dezelfde leeftijd zonder hiv. Dit heeft mogelijk ook negatieve gevolgen voor de maatschappelijke participatie, zoals werk. Onder 885 deelnemers in de werkende leeftijd (45-65 jaar) van de AGEhIV cohort studie is gekeken in hoeverre ze deelnemen aan betaalde arbeid en, als ze werken, hoe het werkvermogen is.

We vonden dat deelname aan betaalde arbeid lager was onder hiv-positieve deelnemers (63,3%) dan onder hiv-negatieve deelnemers (79.0%) (zie figuur 1). Dit verschil werd voor een groot deel veroorzaakt door een hoog percentage (21,7%) hiv-positieve deelnemers dat volledig arbeidsongeschikt was (zie figuur 2).

Belangrijke factoren die bijdragen aan het feit dat mensen niet deelnemen aan betaalde arbeid waren een hogere leeftijd, het hebben van meerdere comorbiditeiten (ziekten) en het ervaren van stigma op het werk.

Arbeidsparticipatie I

Figuur 1

Onder werkende deelnemers is verder gekeken naar het werkvermogen: een maat voor hoe goed iemand zijn werk kan uitvoeren. Hiv-positieve en hiv-negatieve deelnemers rapporteren eenzelfde niveau van werkvermogen. Dit wijst erop dat mensen met hiv, die niet al eerder in het arbeidsproces zijn uitgevallen, even goed op hun werk functioneren als mensen zonder hiv.

Een verminderd werkvermogen wordt onder andere vaker gerapporteerd door mensen die weinig herstelmogelijkheden op het werk hebben, zoals het niet zelf kunnen indelen van werktijden of vakantiedagen. Daarnaast lijkt een lager werkvermogen in verband te staan met grotere werkgerelateerde vermoeidheid en frequenter werkverzuim door ziekte. Mensen met depressieve klachten, een parttime baan en een geboorteland anders dan Nederland rapporteren eveneens vaker een verminderd werkvermogen.

Meer weten over dit onderwerp? Klik hier

Arbeidsparticipatie II

Figuur 2

Vóórkomen van geheugenstoornissen

Voordat er een goede behandeling van hiv mogelijk was met behulp van antiretrovirale therapie, was aids dementie een van de meeste gevreesde complicaties die konden optreden bij een ver gevorderde hiv-infectie. Ondanks dat effectieve behandeling van hiv tegenwoordig wel mogelijk is, lijken lichte hiv-geassocieerde geheugenstoornissen (HAND) nog steeds vaak voor te komen. Het is vooralsnog onduidelijk in hoeverre het vóórkomen van geheugenstoornissen verschilt in hiv-positieve en hiv-negatieve personen en welke factoren met deze geheugenstoornissen samenhangen.

In de neurologische substudie van de AGEhIV studie hebben alle deelnemers een uitgebreid neuropsychologisch onderzoek ondergaan. Tijdens dit onderzoek worden 6 verschillende gebieden onderzocht: spreekvaardigheid, aandacht, informatieverwerkingssnelheid, uitvoerende functies, geheugen en motorisch functioneren.

De onderzoeksgegevens van iedere deelnemer worden vervolgens vergeleken met resultaten van patienten die eenzelfde leeftijd en opleidingsniveau hebben. Op basis daarvan wordt bepaald of iemand onder het verwachte niveau presteert en kan iemand eventueel gediagnosticeerd worden met HAND (hiv-geassocieerde geheugenstoornis). Deze classificatie kan op diverse manieren worden gedaan. In de huidige studie hebben we deelnemers ingedeeld aan de hand van Frascati criteria, Gisslen criteria en de MNC methode.

Het geschatte vóórkomen van HAND blijkt sterk afhankelijk te zijn van de gebruikte classificiatiemethode, maar bij iedere methode komt HAND vaker voor onder hiv-positieve deelnemers (zie figuur).Geheugenstoornissen

 

Meer weten over dit onderwerp? Klik hier

 

Voorspellers van geheugenstoornissen

Aangezien hiv-positieve deelnemers vaker hiv-geassocieerde geheugenstoornissen (HAND) bleken te hebben dan hiv-negatieve deelnemers, hebben we gekeken naar de factoren die samen hangen met HAND en de score op het neuropsychologische onderzoek.

Onder de hiv-positieve deelnemers zijn er zeven factoren geïdentificeerd die samen hangen met een slechtere score op het neuropsychologisch onderzoek:

•  dagelijks tot maandelijks gebruik van cannabis

•  hart- en vaatziekten

•  verminderde nierfunctie

•  diabetes (suikerziekte)

•  een te grote taille-heup verhouding

•  tekenen van een depressie

•  een laag CD4 celgetal in het verleden (ernstige immuunstoornis in het verleden)

 

Vier van deze factoren voorspelden ook of een hiv-positieve deelnemer HAND had:

•  dagelijks tot maandelijks gebruik van cannabis

•  hart- en vaatziekten

•  verminderde nierfunctie

•  diabetes (suikerziekte)

Dit onderzoek laat zien dat er verschillende factoren een rol spelen in de ontwikkeling van geheugenstoornissen onder hiv-positieve mensen. Een deel van de factoren zijn gerelateerd aan de hiv-infectie, andere factoren zijn indirect of niet gerelateerd aan hiv.

Na afloop van de tweede meetronde hopen we een uitspraak te kunnen doen over het vóórkomen van HAND in de loop van de tijd en factoren die daar mee samenhangen.

Meer weten over dit onderwerp? Klik hier voor het artikel en klik hier voor een samenvatting van de resultaten.

Kwaliteit van eenvoudige geheugentesten voor het vaststellen van geheugenstoornissen

Een goede screeningstest zal in bovenstaande grafiek zo dicht mogelijk bij de dikgedrukte zwarte lijn liggen. Een slecht screeningsinstrument ligt rondom de gestippelde lijn.

Een goede screeningstest zal in bovenstaande grafiek zo dicht mogelijk bij de dikgedrukte zwarte lijn liggen. Een slecht screeningsinstrument ligt rondom de gestippelde lijn.

Een screeningstest is een test die wordt gebruikt om een bepaalde ziekte of aandoening op het spoor te komen. Bij geheugenstoornissen zou een screeningtest kunnen worden gebruikt om in kaart te brengen welke mensen een verhoogde kans hebben op het hebben van een geheugenstoornis. Deze mensen kunnen vervolgens verder worden onderzocht op geheugenstoornissen door middel van een volledig neuropsychologisch onderzoek. Een goede screeningstest heeft bepaalde eigenschappen. De centrale vraag in deze analyse is dan ook in hoeverre veelgebruikte screeningstesten voldoen aan deze eigenschappen en dus hoe goed ze hiv-geassocieerde geheugenstoornissen (HAND) voorspellen.

In de AGEhIV studie zijn vier verschillende screeningstesten onderzocht: HDS (specifiek ontwikkeld voor HIV dementie), Simioni vragen (bestaande uit een drietal vragen die in een onderzoek naar lichte hiv-specifieke geheugenstoornissen zijn gebruikt), MoCA en MMSE (twee testen die veel gebruikt worden bij andere vormen van dementie, bijvoorbeeld bij de Ziekte van Alzheimer). De uitkomsten van deze screeningstesten zijn vergeleken met resultaten van het neuropsychologisch onderzoek onder deelnemers van de neurologische substudie. Alle screeningstesten presteren slecht tot matig wanneer er wordt gekeken naar de eigenschappen van de tests (zie figuur). De vier screeningstesten zijn dus onvoldoende in staat om HAND betrouwbaar te detecteren en dus niet bruikbaar voor screening in de praktijk.

Meer weten over dit onderwerp? Klik hier

Oogonderzoek

Foto van het netvlies

Foto van het netvlies

Het oogonderzoek binnen de AGEhIV substudie bestaat uit een aantal functietesten (het meten van de contrastgevoeligheid) en een aantal beeldvormende onderzoeken van het netvlies. Er waren namelijk aanwijzingen vanuit andere studies dat er mogelijk sprake is van vervroegde/versnelde veroudering van het netvlies bij mensen bij hiv.

Inmiddels hebben alle deelnemers het eerste oogonderzoek afgerond en zijn de resultaten geanalyseerd. Kort samengevat hebben wij geen verschillen gevonden in structuur of functie van het netvlies tussen de mensen met en zonder hiv; wat goed nieuws is voor de deelnemers met hiv. Een goed onderdrukte hiv-infectie lijkt netvlies veranderingen te voorkomen.

 

 

 

Behandeling van (risicofactoren voor) hart- en vaatziekten

Tijdens elk studiebezoek vragen we deelnemers of zij hart- en vaatziekten hebben, zoals een doorgemaakt hart- of herseninfarct en/of tekenen van ernstige aderverkalking. Ook evalueren wij of er tijdens het studiebezoek risicofactoren aanwezig zijn voor het ontwikkelen van hart- en vaatziekten, zoals een hoog cholesterol, een hoge bloeddruk of roken. Met behulp van deze informatie hebben we kunnen vergelijken of (risicofactoren voor) hart- en vaatziekten vaker voorkomen bij mensen met hiv ten opzichte van mensen zonder hiv. Door deze risicofactoren goed te behandelen, bijvoorbeeld door de bloeddruk of het cholesterolgehalte te verlagen met medicijnen, kan het risico op (nieuwe) hart- en vaatziekten verlaagd worden. Daarom hebben we in het hier gepresenteerde onderzoek ook gekeken of deelnemers deze medicijnen krijgen en of hun bloeddruk en cholesterol daarmee voldoende verlaagd worden.

Hart- en vaatziekten kwamen tijdens het eerste studiebezoek vaker voor bij mensen met hiv (10% tegenover 5%). Onder de deelnemers die geen hart- en vaatziekten hadden, hebben wij gekeken naar het risico op hart- en vaatziekten in de komende 10 jaar. Dit geschatte risico hebben wij berekend aan de hand van het wel of niet aanwezig zijn van risicofactoren voor hart- en vaatziekten. Deelnemers met hiv hadden vaker een hoger risico op hart- en vaatziekten dan mensen zonder hiv (figuur 1). Risicofactoren op hart- en vaatziekten die het meest voorkwamen, waren onvoldoende lichamelijke inspanning, roken, een verhoogd cholesterolgehalte en een hoge bloeddruk. Al deze factoren kwamen gemiddeld vaker voor bij deelnemers met hiv.

Figuur 1. Geschat 10-jaars risico op hart- en vaatziekten onder deelnemers met en zonder hiv die op het moment van het studiebezoek geen hart- en vaatziekten hadden.

Bij het evalueren of deelnemers goed werden behandeld voor hun risicofactoren voor hart- en vaatziekten hebben we in het bijzonder gekeken naar deelnemers die een extra hoog risico hebben op het ontwikkelen van (nieuwe) hart- en vaatziekte. Dit waren de deelnemers die al een hart- en vaatziekte hebben doorgemaakt of een hoog risico op hart- en vaatziekten hebben vanwege een combinatie van meerdere risicofactoren. Ongeveer de helft van deze mensen had een te hoge bloeddruk, waarvoor de meerderheid geen medicatie gebruikte. Een verhoogd cholesterolgehalte kwam zelfs in ruim 60% van de mensen voor, waarbij de overgrote meerderheid geen medicatie gebruikte. Overigens werden hierin geen belangrijke verschillen gevonden tussen mensen met en zonder hiv.

Vervolgens hebben we gekeken naar de groep deelnemers die medicatie gebruikte voor een hoge bloeddruk of een verhoogd cholesterolgehalte. Ongeveer 50% van deze deelnemers had een goede bloeddruk of een goed cholesterolgehalte bereikt (figuur 2). Opnieuw zagen we hier geen belangrijke verschillen tussen mensen met en zonder hiv. Wel zagen we dat mensen met hiv die al een hart- en vaatziekte hebben doorgemaakt vaker bloedverdunners gebruiken dan mensen zonder hiv (85% tegenover 63%).

 

Figuur 2: Percentage deelnemers dat een goede bloeddruk/cholesterolgehalte heeft onder behandeling met medicatie voor een hoge bloeddruk/verhoogd cholesterolgehalte.

Dit onderzoek laat zien dat de behandeling van (risicofactoren voor) hart- en vaatziekten niet optimaal is, zowel bij mensen met als zonder hiv. Een gezonde leefstijl en het behandelen van risicofactoren voor hart- en vaatziekten is belangrijk om hart- en vaatziekten te voorkomen, en verdient daarom de aandacht van zowel patiënten als hun artsen.

Hiv en de nierfunctie

Tijdens elk studiebezoek nemen wij bloed af en vragen we deelnemers om een portie urine in te leveren. Met dit materiaal hebben wij een onderzoek kunnen doen naar de werking van de nieren en hebben wij gekeken naar aanwijzingen voor nierschade bij mensen met en zonder hiv.

Wij hebben gekeken naar de aanwezigheid van albumine in de urine en de hoeveelheid kreatinine in het bloed, waaruit wij kunnen concluderen of er sprake is van een (chronisch) verslechterde nierfunctie. Er bleek vaker sprake te zijn van een chronisch verslechterde nierfunctie bij mensen met hiv ten opzichte van mensen zonder hiv in onze studie.  (figuur 1)

Wij hadden daarnaast de mogelijkheid om het beloop van de nierfunctie van de deelnemers van ons cohort gedurende 4 jaar te bekijken. Bij iedereen neemt de nierfunctie af naarmate men ouder wordt, maar uit onze studie bleek dat bij mensen met hiv de nierfunctiedaling sterker is. (figuur 2)

Er zijn verschillende mogelijke verklaringen voor de slechtere nierfunctie bij mensen met hiv. Ten eerste zijn er een aantal geneesmiddelen tegen hiv (antivirale middelen) waarvan bekend is dat zij een negatief effect op de nierfunctie kunnen hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om het veel gebruikte middel tenofovir. Een groot deel van de mensen met hiv uit de AGE­hIV studie gebruikt tenofovir (73%) of heeft dit middel in het verleden gebruikt (12%). Wij vonden weliswaar geen overtuigend bewijs voor een dergelijk effect van tenofovir, maar kunnen dit ook niet met zekerheid uitsluiten. Om dit aan te kunnen tonen is er namelijk een vergelijkbare groep mensen met hiv nodig die nog nooit tenofovir heeft gebruikt, en daar is in ons cohort geen sprake van.

Verder konden wij bevestigen dat een aantal reeds lang bekende risicofactoren, zoals het roken van sigaretten en het hebben van een hoge bloeddruk, bijdragen aan een verminderde werking van de nieren bij mensen met hiv. Tot slot zou de slechtere nierfunctie bij mensen met hiv verklaard kunnen worden door een verhoogde ontstekingsactiviteit, waarvan bekend is dat deze op een laag pitje kan blijven bestaan ondanks goede behandeling van een hiv-infectie.

Momenteel wordt de als eerste op de markt gebrachte disoproxil fumaraat variant van tenofovir (TDF) bij veel hiv behandelingen vervangen door een nieuwe variant van tenofovir, namelijk tenofovir alafenamide (TAF). TAF heeft minder nadelige bijwerkingen dan TDF en geeft o.a. minder schade aan de nieren.

De werking van de nier wordt uitgedrukt in milliliter per minuut (ml/min)

Hiv en roken

Het roken van sigaretten geeft een hoger risico op diverse aandoeningen waaronder hart- en vaatziekten en op vroegtijdig overlijden. Sommige studies hebben aanwijzingen gevonden dat het roken van sigaretten slechter voor de gezondheid is voor mensen met hiv ten opzichte van mensen zonder hiv.

Gemiddeld genomen worden zowel bij rokers als bij mensen met hiv die goed behandeld worden chronisch licht verhoogde ontstekingswaarden in het bloed gezien. Er wordt gedacht dat het hebben van deze vorm van chronische ontsteking mogelijk leidt tot het eerder ontwikkelen van ouderdomsziekten, zoals hart- en vaatziekten. In de AGEhIV studie hebben wij vier van dergelijke ontstekingswaarden in het bloed vergeleken tussen rokers en niet-rokers. We hebben vervolgens gekeken of het roken van sigaretten en hiv elkaars effect op deze ontstekingswaarden (en dus mogelijk het risico op ouderdomsziekten) ook nog versterken.

De onderzochte ontstekingswaarden zijn CRP, D-dimeer, sCD14 en sCD163. CRP is een algemene maat voor ontsteking in het bloed. sCD14 en sCD163 zijn waardes die de activiteit van een bepaald type witte bloedcel ofwel afweercel weergeven (de monocyt). D-dimeer is een maat voor activatie van het systeem wat zorgt voor bloedstolling, voor het maken van bloedpropjes. Met name de verhoogde monocyten-activiteit en bloedstolling kunnen een rol spelen bij slagaderverkalking en de verstopping van als zodanig verkalkte slagaders . Wij vonden verhoogde waarden van CRP, D-dimeer en sCD14 bij sigarettenrokers.

Dit was het geval bij mensen met hiv, maar in ongeveer gelijke mate bij mensen zonder hiv. Deze verhoogde ontstekingswaarden dragen waarschijnlijk bij aan de negatieve gezondheidseffecten van roken.

Daarnaast vonden wij hogere waarden van CRP, sCD14 en sCD163 bij mensen met hiv in vergelijking met mensen zonder hiv, onafhankelijk van hun rookgedrag. Wij vonden echter geen aanwijzingen voor een sterker effect van roken op ontstekingswaarden in het bloed bij mensen met hiv ten opzichte van mensen zonder hiv.

Vooralsnog lijkt het er dus op dat de in eerder onderzoek gevonden aanwijzingen voor een sterker nadelig effect van roken op de gezondheid van mensen met hiv, niet verklaard wordt door een sterker effect van roken op ontsteking of bloedstolling. Verder onderzoek is nodig om te leren hoe dit sterkere nadelige effect van roken bij mensen met hiv dan wel zou kunnen komen.

 

Percentage mensen met een verhoogde ontstekingswaarde

Naar boven
 
AMC
GGD Amsterdam
AIGHD
HIV monitoring
 
Top